Heijendaalseweg 300, 6525 SM Nijmegen
024 - 355 80 29
sss.nijmegen@kloosterbrakkenstein.nl

Van de schoonheid en de troost (1728)

Door Peter Nissen.

Soms is die rabbi Jezus van Nazareth, die lieve Heer van ons, best wel irritant en verontrustend. Dat is maar goed ook, anders zouden wij nog wegdommelen in onze goedgelovige gezapigheid. Vandaag, op de drieëntwintigste zondag door het jaar (de twaalfde van de zomer op de protestantse kalender), laat Hij zich in de evangelielezing (Lucas 14, 25-33) van zijn ongemakkelijke kant zien: ‘als iemand naar Mij toekomt, die zijn vader en moeder, zijn vrouw en kinderen, zijn broers en zusters, ja zelfs zijn eigen leven niet haat, kan hij mijn leerling niet zijn.’ En nog iets verder: ‘Niemand van u kan mijn leerling zijn, als hij zich niet losmaakt van al wat hij bezit.’

Jezus lijkt hier wel een sekteleider. Want ook over moderne sekteleiders hoor je soms dat ze van hun volgelingen vragen zich helemaal los te maken van hun familie en vrienden om zich volledig te kunnen toewijden aan de nieuwe waarheid (lees: aan de sekteleider zelf) die zij gevonden hebben. Je hoort het ook van oud-leden van bepaalde ‘jonge’ katholieke bewegingen, zoals Opus Dei of Het Werk, dat van hen gevraagd werd om zich steeds meer los te weken van hun familie en hun sociale netwerk, voor zover die niet ook bij de beweging betrokken zijn. Lees het onthutsende boek ‘Nicht mehr ich’ (2014) van de theologe en filosofe Doris Wagner, inmiddels Doris Reisinger. De geestelijke leiders van dat soort bewegingen beroepen zich graag op de woorden van Jezus uit het evangelie van vandaag.

Maar zou Jezus dat soort radicaliteit bedoeld hebben? Dan zal waarschijnlijk vrijwel niemand van de mensen die straks in de kerk zitten, zich ‘leerling van Jezus’ mogen noemen, terwijl dat toch de titel is waaronder ze op zondagmorgen bij elkaar komen. Vroeger had je ook nog wel kloosterlingen die radicaal van alles afstand deden. Franciscus van Assisi was er zo een: op de markt van Assisi ontdeed hij zich in 1206 van zijn geld en zijn kleren en brak hij met zijn vader met de woorden: ‘Tot nu toe heb ik je vader op aarde genoemd; voortaan kan ik zeggen: Onze Vader die in de hemel zijt, want aan Hem heb ik mijn schat toevertrouwd en mijn geloof gegeven.’ Ook Franciscus heeft nog steeds volgelingen, maar meestal dragen ze toch kleren, en sommigen rijden zelfs een auto, hebben een computer en een mobiele telefoon. Zij hebben ook niet gebroken met hun vader en moeder en hun broers en zusters en er schijnen er zelfs te zijn die er een vriend of vriendin op na houden. Zou Jezus dat erg vinden? Ik denk dat het wel meevalt.

Jezus vraagt van zijn leerlingen geen wereldvreemdheid en geen radicaliteit die nergens op gebaseerd is. Hij probeert ons niet te verleiden tot onhaalbare idealen. Integendeel, hij vraagt om wat je zou kunnen noemen: beredeneerde radicaliteit. Hij vraagt om keuzes die tot de radix, de wortel, gaan. Radicaliteit is niet een houding die alle redelijkheid verliest, die doorslaat. Radicaliteit is een houding die de diepte in gaat, naar de wortel (radix in het Latijn) van de werkelijkheid. Geen ondoordachte wispelturigheid, geen wild avontuur. Nee, juist alles goed overwegen, de zaken goed doordenken, verdieping zoeken, er even goed voor gaan zitten, en dan een weloverwogen keuze maken. Dat is radicaliteit. 
Dat maakt Jezus, in de woorden van Lucas, duidelijk met de twee voorbeelden die de radicale uitspraken in de evangelielezing van vandaag met elkaar verbinden: iemand die een toren wil bouwen, maakt eerst een plan, een begroting, en zorgt voor een stevige fundering, en een koning die een conflict heeft met een andere koning, stuurt eerst een gezantschap voor vredesonderhandelingen vóór hij met een zwak leger ten strijde trekt. Dat is dan weer het mooie van Lucas, dat hij die twee gelijkenissen toevoegt, terwijl Matteüs alleen de radicale uitspraak heeft over het meer liefhebben van Jezus dan van je vader of moeder (Matteüs 10,37) en van het verlaten van alles, je huis, je vader en moeder, je vrouw, kinderen en akkers (Matteüs 19,29, vergelijk Marcus 10,29-30).

Geen onbesuisde radicaliteit dus, maar goed doordachte keuzes. Het is mooi dat het katholieke leesrooster deze evangelielezing vandaag combineert met een lezing uit het deuterocanonieke boek Wijsheid (die protestantse kerkgangers dus moeten missen). Die pleit namelijk voor het je laten leiden door de wijsheid. Wijsheid komt ons redden uit ons eigen onverstand. Zorg dus dat je keuzes geworteld zijn in wijsheid. Dan zijn ze pas radicaal.

Nog even iets over het woordje ‘haten’ in de Willibrordvertaling, ook gebruikt in de Statenvertaling en de Naardense Bijbel. De NBV (en NBV21) vertaalt het met de bereidheid om ‘te breken’ met je vader en moeder enzovoorts, en de Bijbel in Gewone Taal met de bereidheid om alles ‘op te geven’. In het Grieks staat er οὐ μισεῖ, en μισεῖ is een vervoeging van het werkwoord μισέω, dat inderdaad meestal met ‘haten’ wordt vertaald. Maar het is afgeleid van het woord μῖσος (misos), en dat woord duidt eerder op deernis hebben met iets of iemand dan op haten. Ons woord ‘miserie’ is er, via het Latijn en het Frans, van afgeleid. Beklagen of bejammeren zouden goede vertalingen zijn, dunkt me. En dat opent het perspectief op een heel andere lezing van de tekst: ‘Als iemand naar Mij toekomt, die zijn vader of moeder, zijn vrouw en kinderen, zijn broers en zusters, ja zelfs zijn eigen leven niet beklaagt, kan hij mijn leerling niet zijn.’ Navolging niet uit haat jegens je familie, vrienden en jezelf, maar uit compassie met je familie, vrienden en met jezelf.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *