Heijendaalseweg 300, 6525 SM Nijmegen
024 - 355 80 29
sss.nijmegen@kloosterbrakkenstein.nl

Van de schoonheid en de troost (1778)

Door Peter Nissen.

Op de laatste drie zondagen van jaar C, het jaar waarin gelezen wordt uit het Lucasevangelie, maken we een hink-stap-sprong door de laatste hoofdstukken van dat evangelie. Gingen we de afgelopen maanden bijna in lectio continua door de hoofdstukken heen, waarbij maar af en toe gedeelten werden overgeslagen, nu worden nog drie passages gelezen uit de laatste vijf hoofdstukken. De rest van die hoofdstukken komt grotendeels in de Goede Week aan de orde. We bevinden ons namelijk al in Jeruzalem. Aan het slot van hoofdstuk 19, het hoofdstuk waaruit de vorige zondag nog werd gelezen, trekt Jezus immers met zijn gevolg Jeruzalem binnen. De dramatische ontknoping van zijn tocht is begonnen.

Vandaag, op de tweeëndertigste zondag door het jaar (de achtste van de herfst), wordt in rooms-katholieke parochies (als de zondag niet wordt verdrongen door ede viering vahet feest de ketkwijding vsn de sint Jan va Lateranen of die van het hoogfeest van Willibrord) als evangelie de tekst gelezen van Lucas 20,27-38. In gemeenten die het oecumenisch leesrooster volgen komt die tekst de volgende week pas aan de orde. Daar wordt vandaag de tekst gelezen van Lucas 19,41-48: de weeklacht van Jezus om de stad Jeruzalem en zijn optreden tegen de handelaars in de tempel.

De evangelielezing van het rooms-katholieke leesrooster komt uit het onderricht dat Jezus in de tempel in Jeruzalem gaf. Deze keer zijn het niet de farizeeën die Jezus met spitsvondige vragen probeerden klem te zetten, maar voor de eerste én enige keer in het evangelie volgens Lucas waren het vertegenwoordigers van een andere grote stroming onder de joden van die tijd, de sadduceeën. Zij geloofden niet in de opstanding. Lucas zal het twistgesprek van de sadduceeën met Jezus aangetroffen hebben in het oudere evangelie, dat volgens Marcus (12,18-27). Daar zal ook Matteüs het uit hebben overgenomen (22,23-33). Het is dus een verhaal dat alle drie de synoptische evangelies met elkaar gemeen hebben.

De sadduceeën probeerden Jezus, die ze aanspraken als rabbijn (Διδάσκαλε, meestal vertaald als ‘meester’ of ‘leermeester’), de onzinnigheid van het geloof in de opstanding duidelijk te maken met een strikvraag. Volgens de joodse wetgeving, terug te vinden in Deuteronomium 25,5-6, moet een man trouwen met de weduwe van zijn broer als die kinderloos overlijdt. Wat nu als een man zes broers heeft en ze overlijden allemaal kinderloos? Als dan de vrouw ook overlijdt, wiens echtgenote is zij dan bij de opstanding, want ze is met alle zeven broers getrouwd geweest?

Het is een vraag in de trant van de casuïstiek waarin ook de moraaltheologie en het kerkelijk recht zich lange tijd hebben uitgeleefd. Vooral als het, zoals in dit voorbeeld, om kwesties van huwelijk en seksualiteit ging, waren de spitsvondige onderscheidingen soms niet van de lucht. Het schijnt dat een enkele prelaat met te veel vrije tijd zich daar zelfs in onze dagen nog wel eens op uitleeft.
Jezus wijst deze casuïstiek vandaag van de hand. Hij maakt de vraagstellers met lichte ironie duidelijk dat zij redeneren naar wereldse trant en zich dus niet realiseren dat de wereld van God, de wereld voorbij de grens van de dood, die een wereld is waar louter de liefde regeert, van een heel andere orde is. Die wereld is er niet een van rechtsregels en niet een van bezitten of niet bezitten. De vraag welke man bij welke vrouw zal behoren is daar niet aan de orde. Het is een wereld waarin allen met allen zijn verenigd, omdat allen terugkeren in de éne bron van het Leven, in God. Daar wordt niet meer getrouwd en ook niet uitgehuwelijkt. Er wordt ook niet meer gestorven, want de dood heeft daar geen macht meer. Er is alleen het pure Leven, dat wij God noemen.

Jezus vat dat samen in de prachtige slotzin van de evangelielezing van vandaag, de zin die alles zegt over het geloof in God en die als een samenvatting van de hele Bijbelse boodschap gelezen kan worden: ‘Hij is geen God van doden, maar van levenden, want voor Hem zijn allen in leven.’ Die laatste woorden, ‘voor Hem zijn allen in leven’, πάντες γὰρ αὐτῷ ζῶσιν, ontbreken bij Marcus en Matteüs. Hier is dus weer helemaal Lucas aan het woord. De Bijbel in Gewone Taal maakt er van ‘want hij geeft het leven aan alle mensen.’ Ook mooi, maar ik geef toch de voorkeur aan de vertaling die de NBV21, de Naardense Bijbel, de Herziene Statenvertaling en de Willibrordvertaling (de laatste twee met een kleine nuance) met elkaar gemeen hebben: voor God zijn allen in leven.
Met die bijzin van Lucas zou het liturgisch jaar mooi afgesloten kunnen worden. Zij zegt alles: voor Hem zijn allen in leven. Maar er komen nog twee zondagen. Waar hebben we het toch over.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *