Heijendaalseweg 300, 6525 SM Nijmegen
024 - 355 80 29
sss.nijmegen@kloosterbrakkenstein.nl

Van de schoonheid en de troost (1801)

Door Peter Nissen.

Op de derde zondag van de advent, zondag Gaudete, bemoedigt Jesaja ons in de eerste lezing in onze verwachting van de Vredevorst: ‘laat de woestijn en het dorre land zich verheugen, de wildernis bloeien en juichen. […] Zeg tegen iedereen die radeloos is: Houd moed, wees niet bang, hier is uw God, […] Hij komt u redden’ (Jesaja 35,1 en 4). Dat hadden we net even nodig, in deze donkere en koude dagen. Geen zicht nog op vrede in Oekraïne, nog steeds geen genoegdoening voor de slachtoffers van de toeslagenaffaire, nog steeds onvoldoende reductie van de CO2, navobaas Rutte kondigt oorlog aann ewe moeten allemaal noodpakketten inslaan en het lijkt erop dat we weer een rechts kabinet gaan krijgen en dat land weer enige tijd bestuurd gaat worden door verwarde personen.Houd er dan de moed maar eens in.

In veel kerken zal vandaag wel het lied ‘De steppe zal bloeien’ klinken (Liedboek 608, Gezangen voor Liturgie 591, Tussentijds 49). Huub Oosterhuis baseerde zich voor dit lied namelijk precies op deze Jesajatekst. Ik vind het een prachtig lied en ik raak altijd ontroerd als wij het zingen. Het doet mij terugdenken aan enkele toogdagen van de Acht Mei Beweging die ik meemaakte. Ik hoop dat het in onze kerk vanmorgen ook gezongen wordt. En anders beluister ik het thuis in de mooie uitvoering van Lenny Kuhr (een van de mooiste vrouwen trouwens van Nederland, maar daar gaat het nu niet over). 
In de evangelielezing van deze zondag, Matteüs 11,2-11, keert Johannes de Doper weer terug. Lucas vertelt dit verhaal ook, en zelfs uitgebreider (Lucas 7,18-28). Waarschijnlijk zullen beide evangelisten het dus in hun gemeenschappelijke bron Q hebben aangetroffen. De vorige week was Johannes de hoofdfiguur van de evangelielezing, vandaag is hij er om duidelijk te maken dat het niet om hem gaat, maar om Jezus: ‘bent U het die komen zou’, zo laat hij door zijn volgelingen aan Jezus vragen. Zelf zit hij inmiddels gevangen; in Matteüs 4,12 had de lezer al gehoord dat hij opgepakt was. De Romeins-Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus weet te melden dat Johannes gevangen zat in Macherus, vijf mijl ten oosten van de Dode Zee. 

Jezus beantwoordt de vraag indirect. Hij zegt niet: ‘Ja, kijk mij eens geweldig zijn, Ik ben de Messias.’ Nee, hij antwoordt door te wijzen op wat er gebeurt door de ontmoeting met Hem: blinden gaan zien, kreupelen gaan lopen, melaatsen worden rein, doven gaan horen, doden staan op en aan armen wordt de goede boodschap verkondigd. Messiaanse tekens. Eén messiaans teken, genoemd in Jesaja 61,1, laten Matteüs en Lucas hier trouwens wijselijk onvermeld: dat gevangenen worden bevrijd. Johannes zou er valse hoop uit kunnen putten.

Sommige Bijbeluitleggers denken dat Jezus vermeed om direct te antwoorden ‘Ja, ik ben de Messias’, omdat dit dan ook gehoord zou worden door de bewakers van Johannes als diens volgelingen dat in de gevangenis kwamen vertellen. En dan zou ook Jezus opgepakt kunnen worden. Het lijkt me nogal ver gezocht. Door heel het evangelie heen loopt immers de verwachting dat Jezus uiteindelijk opgepakt en terechtgesteld gaat worden als een rode draad: de evangelisten bouwen die spanning bewust op. Nee, ik denk dat Jezus wil duidelijk maken: het gaat niet om mijn persoon, maar om wat er in de ontmoeting met Mij, die een ontmoeting is met Hem die mij gezonden heeft, gebeurt. Mensen worden door die ontmoeting teruggegeven aan zichzelf, ze worden in hun recht hersteld, ze worden bevrijd van wat hen onvrij maakte. Het koninkrijk komt in die ontmoeting dichterbij.

En vervolgens gaat Jezus eer brengen aan Johannes: meer dan een profeet (περισσότερον προφήτου), en er is niemand groter dan hem onder hen die uit vrouwen geboren zijn. Een curieuze tekst, want is Jezus niet ook uit een vrouw geboren en is Hij niet groter dan Johannes? Blijkbaar heeft Jezus geen behoefte om zichzelf boven Johannes te verheffen. Want, zo maakt de slotzin van de lezing duidelijk, het gaat niet om wie groot zijn of zichzelf groot maken. Immers, ‘de kleinste in het koninkrijk van de hemelen is groter dan hij.’ Dat ‘koninkrijk van de hemelen’ bij Matteüs is wat het ‘koninkrijk van God’ is bij de andere evangelisten: de wereld waar God aanwezig is. Daar, in die wereld, telt de kleinste, μικρότερος. Ook u en ik, ook jij. En dat geeft moed.

[Johannes de Doper op het altaar van Isenheim, rond 1512-1516 geschilderd door Matthias Grünewald (1470-1528). Let op de grote verwijzende vinger: het gaat niet om mij, maar het gaat om Hem.]

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *