Heijendaalseweg 300, 6525 SM Nijmegen
024 - 355 80 29
sss.nijmegen@kloosterbrakkenstein.nl

Zondag 12 april, Beloken Pasen

Door Pater Jim

“Omdat je Mij gezien hebt gelooft ge? Zalig zij die niet hebben gezien en toch geloven.” In deze evangelielezing klinkt dit een beetje als een verwijt van Jezus. Allereerst als een verwijt aan Tomas, die de verhalen van zijn medebroeders over de verrijzenis van Jezus niet kon geloven. 

Maar het lijkt ook een verwijt te zijn aan de andere leerlingen, die de verhalen van de vrouwen over die verrijzenis niet konden geloven. Blijkbaar gold voor alle leerlingen, met uitzondering van Johannes: ze moesten Hem eerst in levende lijve zíen voordat ze konden geloven in het wonder van de verrijzenis.

Hoe zit dat bij ons? Zo dadelijk, na de homilie, belijden we ons geloof. We gaan er zelfs bij staan, en dan belijden we over Jezus dat Hij op de derde dag is verrezen uit de doden. In het verlengde daarvan spreken we ons geloof uit in de verrijzenis van het lichaam en het eeuwig leven. 

Maar geloven we dat ook écht? Of is meer een formulering van wat we hópen? Hopen dat de dood niet het eindpunt is, maar een overgang. Hopen dat onze overleden familieleden en goede bekenden niet voor altijd weg zijn, maar dat we ze ooit weerzien, ergens. Hopen dat al die onschuldige slachtoffers van oorlogsgeweld in Oekraïne, Iran en Libanon niet helemáál zijn weggevaagd, maar dat ze ergens, boven, liefdevol zijn opgevangen. Dat kan een troostende gedachte zijn. “Zalig zij die niet hebben gezien en toch geloven.”

Wat in de verrijzenisverhalen in het evangelie duidelijk wordt, is dat de angst, twijfel en ongeloof heel menselijk zijn. In het verhaal van vandaag horen we dat de leerlingen in Jeruzalem de deuren hebben gesloten uit angst voor de mensen die verantwoordelijk zijn voor de kruisiging van Jezus. Opvallend is dat die deuren een week later nog steeds op slot zijn, na de eerste verschijning van Jezus. Zelfs de bemoedigende aanwezigheid van de Zoon van God had hun angst niet kunnen wegnemen, ook al waren ze vol vreugde over zijn komst. 

Voor ons is er in algemene zin niet zoveel reden om bang te zijn. We leven nog steeds in een stabiel deel van de wereld. Als we aan het eind van de dag naar bed gaan, dan hoeven we niet te vrezen voor een luchtalarm of een bombardement, of voor natuurrampen zoals aardbevingen of overstromingen. Maar we hebben met méér te maken dan met alleen deze nuchtere, feitelijke informatie. 

De laatste tijd hoor ik regelmatig mensen van uiteenlopende leeftijden en achtergronden spreken over angst. Ze zijn bang geworden door apocalyptische uitspraken van sommige wereldleiders, waarbij het ineens ging over het wegvagen van een hele beschaving. Misschien was het bluf, misschien is het een macaber pokerspel op het wereldtoneel. Maar ook dat is geen geruststellende gedachte, want ook een pokerspel kan uit de hand lopen. En misschien willen wij dan ook weleens de deuren sluiten om de boze wereld buiten te sluiten.

De leerlingen waren bang. Misschien dat Jezus daarom bij binnenkomst meteen die geruststellende woorden spreekt: “Vrede zij u.” Dan toont Hij de wonden van de kruisiging. Het is zijn manier om te zeggen dat lijden en dood niet het laatste woord hebben. Hij staat daar immers. In Jeruzalem, tussen zijn leerlingen. Maar Hij is ook hier in Brakkenstein. En dan zegt Hij: “Vrede laat Ik u, mijn vrede geef ik u.”  

“Zalig zij die niet hebben gezien en toch geloven.” Het Griekse woord voor geloven dat Johannes hier gebruikt, betekent ook zoiets als “jezelf in volledig vertrouwen aan iemand overgeven”. Dat is de eerste uitnodiging van deze lezing. Om ook in deze tijd, in onze wereld, te geloven in zijn verrijzenis, en in zijn aanwezigheid onder en in ons. Zodat we zo dadelijk de woorden van het Credo in vertrouwen kunnen uitspreken. “Ik geloof…”

Dat is de eerste uitnodiging: geloven en vertrouwen. Maar daar blijft het niet bij. De tweede uitnodiging volgt meteen na de begroeting, als Jezus zegt: “Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik u.” Vijftig dagen later zullen ze daar gehoor aan geven, als ze met Pinksteren opnieuw de heilige Geest ontvangen. Ze gaan dan naar buiten om vol vuur het evangelie te verkondigen. 

Zo worden ook wij gezonden. Om in geloof en vertrouwen verbonden te blijven met de barmhartige God, met elkaar en met de wereld om ons heen. En om de vreugde over de verrijzenis te beleven en te delen. “Zalig zij die niet hebben gezien en toch geloven.”

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *