
Door Pater Jim
Soms kan de stemming in het Evangelie plotseling flink omslaan. Vorige week hoorden we nog hoe Petrus zijn geloof uitsprak. Hij zei tegen Jezus: “Gij zijt de Zoon van de levende God.” Jezus prees hem daarvoor. Hij zei: “Op deze steenrots zal Ik mijn Kerk bouwen, en Ik zal u de sleutels van het Koninkrijk der hemelen geven.” Vandaag horen we iets heel anders. Diezelfde Petrus zegt iets wat Jezus boos maakt.
Hij reageert op iets wat Jezus net daarvóór heeft verteld: dat Hij zal lijden, sterven en verrijzen. Maar dat laatste, de verrijzenis, komt bij Petrus niet binnen. Hij hoort alleen het lijden en sterven. En dat past helemaal niet bij het beeld dat hij en de andere leerlingen van de Messias hebben. Zij zien Hem als degene die het land zal bevrijden van de Romeinen. Daarom zegt Petrus over het lijden en sterven: “Heer! Dat mag U nooit gebeuren!”
Maar Petrus ziet niet wat Jezus wél ziet: in de kern gaat het hier om de wil van God. Jezus herkent in de woorden van Petrus een uitnodiging om niet aan die wil te voldoen. Hij herkent die van een situatie net voordat Hij begon aan zijn openbare optreden. Toen werd Hij in de woestijn door Satan op de proef gesteld. Jezus had veertig dagen niet gegeten, en op dat kwetsbare moment probeerde Satan Hem los te weken van de Vader. Hij wilde Jezus weghalen bij zijn zending: de hereniging van de mens met God. Jezus doorzag dit en zei: “Weg, Satan.”
Diezelfde woorden klinken in de lezing van vandaag. Jezus herkent de Satan in de woorden van Petrus. De poging tot losweken komt nu niet rechtstreeks van de Satan, maar via Petrus: hij wil Jezus afhouden van de weg van lijden en sterven. Maar zonder lijden en sterven is er ook geen verrijzenis, en dan gaat de poort naar de hemel niet open. Daarom spreekt Jezus zo duidelijk. Hij herkent de kwalijke kracht die Hem van zijn opdracht wil afhouden en zegt: “Weg, Satan. Jij denkt niet aan de dingen van God, maar aan die van de mensen.”
Dus ja, Jezus is boos op Petrus – niet om hem te kleineren, maar om hem wakker te schudden. Want het gáát ergens om, zo blijkt ook de woorden van Jezus die volgen op de berisping: “Als iemand Mij wil volgen, dan moet hij zichzelf verloochenen en zijn kruis op zich nemen.”
Dat zijn lastige woorden. Petrus wil voldoen aan de wil van God, zolang die past bij zijn verwachtingen. Maar wat als Gods weg anders loopt dan wij hadden gedacht en gehoopt?
In Petrus kunnen we iets herkennen van onszelf. Vaak willen wij, bewust of onbewust, dat God meegaat met onze plannen. Dat Hij doet wat wij al bedacht hebben. Maar als Hij iets anders vraagt, dan komen de bedenkingen: het komt even niet uit, nu geen tijd, dat kunnen wij niet…
Jezus vraagt dat we ons laten leiden door de wil van de Vader. Dat bedoelt Hij met “jezelf verloochenen”. Dat betekent niet dat we onszelf waardeloos moeten vinden. Maar wel dat we leren loslaten wat ons bij God vandaan houdt. De eigenlijke vraag is dan: Heer, wat wilt U van mij? En de tweede vraag, die we onszelf kunnen stellen: hebben we vertrouwen in Hem, ook als zijn weg anders is dan die van ons.
Petrus wil wel loslaten, maar alleen als hij deel kan worden van een zichtbaar succesverhaal: de bevrijding van zijn volk door Jezus. Maar de weg van de Vader ziet er anders uit. Petrus moet leren volgen, juist wanneer de weg door het verlies heen gaat. Hij moet een volgeling worden van iemand die, naar menselijke maatstaven, onderuit zal gaan. Iemand die zal sterven aan het kruis, als een veroordeelde misdadiger.
Is Petrus nu afgeschreven? Als wij er op een menselijke manier naar kijken, dan zouden we kunnen zeggen: Petrus is gezakt voor zijn examen. We zouden kunnen denken: met zo iemand kun je niet verder, stuur maar weg. Vorige week hoorden we dat Petrus door Jezus werd aangewezen als de toekomstige leider van de Kerk, en Jezus gaf hem zelfs “de sleutels van het Koninkrijk der hemelen”. Na de uitglijder van vandaag had Jezus kunnen zeggen: sorry Petrus, Ik heb me vergist, geef die sleutels maar terug.
Maar Jezus kijkt anders, en laat Petrus niet vallen. Hij ziet niet alleen de zwakheid, maar ook de liefde. Hij ziet bij Petrus een hart dat naar Hem verlangt, ook al is dat hart soms bang en onzeker. Dat zullen we bij Petrus nog vaker zien, maar uiteindelijk zal hij zeggen hoeveel hij van Jezus houdt. Jezus ziet die liefde nu al. En met die zoekende, maar oprechte Petrus wil Hij verder.
Straks bidden we samen het Onze Vader. Dan zeggen we: uw wil geschiede. Als we die woorden zingen, zeggen we ook: Heer, leer mij uw wil te zoeken. Help mij U te vertrouwen, ook wanneer ik uw weg niet meteen begrijp. Geef mij de moed om U te volgen met heel mijn hart, met heel mijn verstand en met heel mijn ziel.
Amen