Heijendaalseweg 300, 6525 SM Nijmegen
024 - 355 80 29
sss.nijmegen@kloosterbrakkenstein.nl

Wist u datjes

Proficiat!

Pater Piet de Bruin, die de leeftijd heeft bereikt van meer dan 99 jaar, vierde op 27 maart zijn 60 jarig priesterfeest. Tijdens de zondagsviering werd er extra aandacht aan besteed. Zijn kelk die hij gekregen had met zijn priesterwijding was nu weer door koster Ferry mooi opgepoetst. Pater de Bruin kon daarmee ook mee concelebreren.

Aan het einde werd door de hele kerk nog een lang zal hij leven uit volle borst meegezongen. Vele gelovigen konden hem daarna feliciteren. Meer dan 60 jaar voor de zelfde “Baas“ werken…..dat is wel heel wat.

De legende van Brakkenstein

Een oud epos, een gedicht in de 20er jaren van de vorige eeuw, door een van de kloosterlingen over het ontstaan van het klooster Brakkenstein.

De legende van Brakkenstein

Er leefde eens een oud’renpaar
Zij waren bij de zestig jaar
Een brave zoon stond hen terzij,
Zij woonden op de Mookerhei.

Zij leefden samen heel tevreen
Temidden van de hei alleen,
De zoon ging iedere dag ter mis
Dit weet ik zeker en gewis.

Toen eens dat hij weer kerkewaarts trok
Hoort hij van ver een torenklok,
Hij luistert naar dit schoon geluid,
Niet wetend wat of dat beduidt.

Nieuwsgierig richt hij zijne schreen
Naar ’t geheimzinnig teeken heen,
Maar blijft opeens voor een boschje staan
Daar het luiden plots’ling is gedaan.

Voorzichtig kijkt de jong’ling rond
En raad eens wat hij daar nu vond:
In ’t midden van het kreupelhout
Ziet hij een kind van vier jaar oud.

Het heeft een schoon wit kleedjen aan
Maar in zijn oogjes blinkt een traan,
Hij nadert goedig ’t lieve wicht,
Dat droef naar hem zijn oogjes richt.

En zuchtend spreekt ’t lieve kind:
“haast niemand is er die mij mint”.
En nauwelijks heeft hij ’t woord gehoord
Of ’t klokje klept al weder voort.

Verdwenen is weer ’t lieve kind
En wat hij peinst of wel verzint,
Hij weet niet wat toch moet bedien
Hetgeen hij juist daar heeft gezien.

Des and’ren daags hoort hij weer daar
Hetzelfde klokje, helder, klaar,
En haastig snelt hij derwaarts heen
Vanwaar een licht hem tegen scheen.

Hij ziet Maria-Moedermaagd,
Die op haar arm een kindje draagt.
Het straalt van zuiv’re glorie-glans
En draagt een ouden remonstrans.

“Hier wil ik, spreekt het kind, een woon
En zeet’len op een glorietroon.
Hier brenge men mij dank en lof
En juub’le men met ’t hemelhof.

De jong’ling valt ter aarde neer,
Aanbidt zijn God en Opperheer
En daarna richt hij weer zijn oog
Naar ‘t .lieve Jezuskind omhoog.

Doch, ach, verdwenen is ’t gezicht,
De Moedermaagd en ’t lieve wicht;
Hij ziet, hij voelt zich heel alleen,
Het heerlijk visioen is heen.

De jong’ling gaat naar zijn pastoor
En smeekt hem: “Ach geef mij gehoor,
De goede God wil ginds een woon 
voor Jezus, zijnen dier’bren Zoon”.

De priester staart verbaasd hem aan
Doch wil hier geen geloof aan slaan;
“neen, neen”, zegt hij, “’k geloof zulks niet,
Verbeelding is ’t slechts, wat gij ziet”. 

Reeds is een jaar voorbijgesneld,
Sinds ‘tgeen hierboven is vermeld.
Zijn ouders zijn reeds grafwaarts heen
En is de jong’ling heel alleen.

Nu bidt  hij zich als dienaar aan
Bij een baron, niet ver vandaan;
Getrouw vervult hij daar zijn plicht
En elke arbeid valt hem licht.

Hij voelt er zich geheel tevreen
En wordt bemind door iedereen
En toen de barones op ’t ziekbed lag
Hield hij bij haar getrouw de wach”.

Hij week nu van haar ziekbed niet
En door de zorgen die hij biedt,
Herstelt de baronesse weer
En werd gezond, gelijk weleer.

“heb dank, heb dank., o goede vriend,
Gij hebt voorwaar een loon verdiend,
O, zeg mij, wat verlangt gij nu,
Al wat gij vraagt, ik geef het u”. 

“heb dank, o goede barones,
Zie nu, gij zijt de eig’nares
Van ’n eikenbosch dat ginder ligt
O, daar verscheen mij eens een wicht.

Ik hoorde daar een klokketoon
En zag Maria met Haar Zoon.
Zij wilden dat op gindsche plaats
Een kerk voor Jezus werd geplaatst.

O vrouwe, hoor naar Jezus’ stem
En bouw een woning daar voor hem
O, vrouw, ik bid u, geef gehoor,
Ik blijf er eeuwig dankbaar voor”. 
En nauwelijks had de arme knecht
Deez’ woorden tot de vrouw gezegd
Of zie, de kamer werd verlicht
Door een helder, hemelsch licht.
Opeens verschijnt een eng’lenschaar
Met wit gewaad en golvend haar
En zingen hunnen God en Heer
Een lied van lof en eer.

En een der eng’len treedt nabij
En zegt: “ O vrouwe, hoor naar mij,
Breng dank aan uwen God en Heer
En bouw een kerk ter zijner eer”.

De vrouwe staat verwonderd stil
En zegt: “O ja, het is Gods wil
Voorzeker, hier in Brakkenstein
Zal er een troon voor Jezus zijn”.

Een kerkje wordt aldaar gebouwd
Aan kloosterlingen toevertrouwd
En thans houdt men er dag en nacht
Bij Jezus’ Hostie trouw de wacht.

Des jong’lings huis bestaat nu nog,
Doch is aan anderen verkocht;
Het wordt de “HUNNEBURCHT”genaamd
Bij juvenisten zeer befaamd.

De baronesse woont thans niet meer 
In Brakkenstein, zoals weleer;
Maar toch, haar villa naam leeft voort;
Eenieder kent dit lieflijk oord.
Fr. Cyprianus Paul Brouns sss 1916

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.